Een verbindende bestuursstijl. Wat is dat eigenlijk?

Waarom gemeenten moeten investeren in het ophalen en duiden van verschillen in beleving

Hoeveel is tien min acht? Voor vrijwel iedereen een eenvoudig rekensommetje, met maar één mogelijk antwoord. Maar probeer die som eens uit te leggen aan iemand die nooit heeft leren rekenen. Een antropoloog deed een poging om zo dicht mogelijk bij de leefwereld van een jonge Anatolische herder te blijven. Hij vroeg: “Stel je gaat met tien schapen op pad en onderweg gaan er acht dood. Met hoeveel schapen ga je terug?” Het verrassende antwoord van de jonge herder was: “Als er acht dood zijn, ga ik helemaal niet terug”. Voor het platform Overheid in Contact schreef ik een kort artikel waarin ik betoog dat gemeenten en andere overheidsorganisaties meer zouden moeten investeren in het ophalen en duiden van verschillen in beleving.

Antropologen hebben boeken vol geschreven over de culturele verschillen tussen groepen mensen. Verschillen in hun redenaties, interpretaties en in duiding van de wereld om hen heen. Verschillen in ‘beleving’ die mede afhankelijk zijn van de normen en waarden waarmee we opgroeien, de kennis en vaardigheden die we ontwikkelen en het netwerk dat we opbouwen. Er bestaat niet zoiets als één objectieve werkelijkheid. Alles is relatief. Je bewuster zijn van die verschillen en er begrip voor ontwikkelen zijn daarom belangrijke voorwaarden om effectief te kunnen samenleven en samenwerken.

Een bont geheel van ontmoetingen geeft stof tot nadenken

Tegen die achtergrond vroeg een gemeente onlangs onderzoek te doen naar de diversiteit in beleving van een gewenste verbindende bestuursstijl, een politieke ambitie die ‘samen met inwoners’ en ‘gaandeweg’ wordt verkend. Dit onderzoek voerde ik uit samen met EMMA. Deze gemeente wilde met het onderzoek meer zicht krijgen op de manier waarop de inwoners van de dorpen en wijken, de ambtelijke organisatie, professionals in de uitvoering en politici die ambitie beleven. Om zo uiteindelijk een basis te hebben van waaruit ze kan bepalen hoe ze de komende jaren daarmee verder kan. Geen evaluatie dus in klassieke zin –eindigend met een rapportcijfer– maar vooral het ophalen van kwalitatieve beelden om stof tot nadenken te geven.

Voor dat onderzoek spraken we meer dan vijftig respondenten in dorpshuizen, lommerrijke tuinen, woonkamers, broeierige zolderruimtes, biljartkamers, koeienstallen, op straat en in gemeentelijke vergaderzalen. Ook observeerden we vele bijeenkomsten die soms georganiseerd werden door verenigingen voor dorpsbelangen, soms ook door de gemeente zelf. Een bont geheel van ontmoetingen in wisselende samenstelling van inwoners, ambtenaren, professionals en politici.

Goede intenties én verschillen in beleving

Wat in bijna alle gesprekken opviel was de eensgezindheid over de goede intenties die alle gesprekspartners zien in de ‘ander’. Een heel positieve grondtoon over en waardering voor hun inzet en genomen initiatieven. En een basis om de komende jaren met elkaar vervolgstappen te zetten. Maar ondanks dat breed gedeelde positieve beeld vonden we ook duidelijke verschillen. Niet altijd negatief en onoverbrugbaar, maar toch wel betekenisvolle verschillen. Hieronder gaan we op enkele kort in.

Wat is de ‘echte’ motivatie?
Waarom zette de gemeente in op ‘een verbindende bestuursstijl’? Op die vraag volgden verschillende antwoorden. Sommigen herleidden de ambitie tot – heel plat – het doorvoeren van (te) forse bezuinigingen. Anderen zagen vooral een link met onvrede in het buitengebied. Weer anderen benadrukten de huidige bestuurskundige focus op meer horizontale samenwerking om antwoorden ‘met draagvlak’ te kunnen vinden op maatschappelijke vraagstukken.

Wel of niet voor mij?
We merkten dat er heel verschillend gedacht werd voor wie instrumenten nu eigenlijk bedoeld waren die ‘de gemeente’ inzette om te ‘verbinden’. Ook waren deze instrumenten bij inwoners lang niet altijd even zichtbaar en bekend als in het gemeentehuis wellicht gedacht. Verder bleken belangrijke maatschappelijke organisaties als scholen of sportverenigingen zich niet altijd aangesproken te voelen – sommige ronduit buitengesloten – omdat de gemeente een vereniging voor dorpsbelangen aanwees als het eerste aanspreekpunt.

Korte of lange termijn?
Een belangrijk ‘verbindend’ en goed benut instrument was de ‘stimuleringsregeling’, bedoeld om initiatieven van inwoners te ‘faciliteren’. In de praktijk bleek deze minder aan te sluiten bij inwoners die liever op korte termijn de handen uit de mouwen steken dan dat ze ambities en plannen voor de langere termijn op papier moeten zetten. Voor deze groep was die regeling ‘lastiger’ te benutten, zeker wanneer een aanvraag alleen kon worden ingediend door een organisatie waar ze zelf niet bij betrokken waren.

Wat mag wel/niet?
We vonden ook een opvallend verschil in beleving van de ‘regels’ van het stimuleringsfonds. Wat mag wel en niet? Welke ruimte is er feitelijk? Hoe verhouden zich de ‘letter’ en de ‘geest’ van deze regels? Interessant was dat in aanvang die regels – bewust – geminimaliseerd waren, maar dat inwoners daarin ‘gaandeweg’ meer helderheid wensten, zodat er vervolgens wat meer regels en kaders kwamen, maar dat uiteindelijk dáármee andere inwoners weer minder gelukkig waren.

Juiste besluitvorming?
Tot slot merkten we dat er verschillende meningen kunnen zijn over wat de lokale ‘juiste’ besluitvorming is. Het basisprincipe ‘de meerderheid beslist’ – volgens sommigen vaak ingebracht door hoger opgeleide mensen al dan niet ‘van buiten’ – bleek (soms) haaks te staan op ‘oudere’ inclusieve besluitvormingsprocessen waarbij een minderheid wordt gevraagd hoe zij kunnen meegaan in een besluit van de meerderheid.

Van begrip naar vruchtbaarder samenwerken

Eenzelfde ambitie, maar anders ervaren en geïnterpreteerd, afhankelijk van de eigen achtergrond, daar kwam het op neer. Verschillen in beleving die niet alleen te vinden zijn rondom deze ambitie in deze gemeente. Diversiteit vormt de basis van alle beleidsvraagstukken. ‘De dingen’ worden nu eenmaal verschillend beleefd. En daarom is het –in mijn overtuiging– zo belangrijk dat meer gemeenten meer investeren in het ophalen en duiden van die verschillen in beleving. Om zo te komen tot een beter wederzijds begrip. Omdat alleen vanuit dat begrip voor het verschil zinvolle vervolgstappen kunnen worden gezet in vruchtbare samenwerking. Een warm pleidooi dus voor meer kwalitatieve onderzoeken naar de beleving van de beleidspraktijk van overheden. Doet jouw gemeente ze al?